Uitspraak
16 juni 2016, 16/430 en 16/977 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een bijstandsgerechtigde zonder vaste woon- of verblijfplaats, vroeg bijzondere bijstand aan voor doorbetaling van huur tijdens zijn detentieperiode van 21 juni tot en met 14 augustus 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees dit verzoek af, omdat appellant reeds in een voorgaand jaar bijzondere bijstand voor dezelfde kosten had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege zijn bijzondere positie binnen de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg en het preventiebeleid van diverse instituten recht zou hebben op bijstand. De Raad oordeelde dat op grond van artikel 13 van Pro de Participatiewet gedetineerden geen recht op bijstand hebben, tenzij zeer dringende redenen dit rechtvaardigen. Appellant kon geen acute noodsituatie aantonen die deze uitzondering zou rechtvaardigen.
Het college hanteert een buitenwettelijk begunstigend beleid waarbij onder voorwaarden bijzondere bijstand wordt verleend voor doorbetaling van huur tijdens detentie, mits niet in een voorgaand jaar dezelfde bijstand is verstrekt. De Raad stelde vast dat dit beleid consistent is toegepast en dat het college niet verplicht was het preventiebeleid of de bijzondere positie van appellant mee te wegen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om bijzondere bijstand wordt afgewezen.