Uitspraak
27 juli 2016, 15/5394 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
€ 200,-, op 7 maart 2014 € 250,-, op 27 mei 2014 € 300,-, op 14 oktober 2014 € 200,-, op
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt bijstand sinds 2014 en werd geconfronteerd met een herzieningsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere wegens niet gemelde kasstortingen op haar bankrekening in 2014. Het college bracht deze stortingen, totaal €1.420,05, in mindering op de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of de stortingen als in aanmerking te nemen middelen konden worden aangemerkt volgens de Participatiewet.
De Raad oordeelde dat kasstortingen in beginsel als middelen gelden en dat het feit dat een deel van de stortingen geleend zou zijn of afkomstig van de zoon als bijdrage in woonkosten, onvoldoende aannemelijk was gemaakt. Daarom werd het bestreden besluit bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot herziening van de bijstand wordt bevestigd.