Appellant ontving een WW-uitkering vanaf 1 januari 2014 en was verplicht wijzigingen in zijn situatie te melden. In augustus 2014 werd het Uwv geïnformeerd dat appellant meubelmakeractiviteiten ontplooide, wat leidde tot een onderzoek met waarnemingen en een huisbezoek.
Het Uwv herzag de WW-uitkering over de periode augustus 2014 tot januari 2015 en legde een boete op wegens overtreding van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat zijn activiteiten het hobbymatige overstegen.
In hoger beroep stelde appellant dat het om een hobby ging zonder bedrijfsopzet en dat hij geen inkomsten had behaald. De Raad oordeelde dat het aanbieden van meubels en voeren van een bedrijfsnaam duidt op arbeid in het economisch verkeer, waardoor appellant zijn hoedanigheid als werknemer verloor.
De Raad bevestigde dat appellant 21 uur per week aan deze activiteiten besteedde en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden. De boete was terecht, maar werd verlaagd naar €1.863,40 vanwege een nieuw Boetebesluit dat geen afronding naar boven vereist.
De uitspraak vernietigt het boetebesluit en veroordeelt het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.