Uitspraak
16.2825 WIA
OVERWEGINGEN
.Een arbeidsdeskundige heeft rapport uitgebracht op 4 augustus 2014 en vastgesteld dat het resultaat van de
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkgever van werkneemster die sinds 2012 arbeidsongeschikt was, werd door het UWV geconfronteerd met een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De bedrijfsarts had de arbeidsmogelijkheden van werkneemster beoordeeld en vastgesteld dat terugkeer in de eigen functie niet mogelijk was, waarna een trajectplan voor re-integratie in het tweede spoor werd opgesteld. Het UWV stelde echter dat appellante onvoldoende had gedaan om werkneemster te re-integreren, wat leidde tot een loonsanctie.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellante onvoldoende inspanningen heeft verricht. Zowel appellante als werkneemster hadden diverse activiteiten ontplooid om werkneemster in het tweede spoor aan werk te helpen.
De Raad vernietigt het besluit en de eerdere uitspraak, herroept de loonsanctie en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende motivering.