ECLI:NL:CRVB:2018:1943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toekenning AOW tijdens TBS-periode wegens ontbreken proefverlof
Appellante, geboren in 1945, ontving aanvankelijk een AOW-pensioen vanaf november 2010. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had dit echter ingetrokken omdat zij sinds 1997 gedetineerd was en vanaf 2005 in een TBS-instelling verbleef. Na beëindiging van de TBS-periode werd het AOW-pensioen weer toegekend, maar appellante verzocht om herziening van het eerdere besluit omdat zij meende ten onrechte geen AOW te hebben ontvangen tijdens haar TBS-periode.
De Raad beoordeelde of appellante in aanmerking kwam voor AOW tijdens haar TBS-periode op grond van het onderscheid tussen transmuraal verlof en proefverlof. Volgens de wetgeving ontstaat geen recht op AOW indien de vrijheid rechtens is ontnomen, tenzij sprake is van proefverlof zoals bedoeld in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt).
Uit de stukken bleek dat appellante geen machtiging voor proefverlof had ontvangen en slechts transmuraal verlof genoot. De stelling dat transmuraal verlof materieel gelijk zou zijn aan proefverlof werd verworpen. Daarom werd het oorspronkelijke besluit van de Svb dat geen AOW werd toegekend tijdens de TBS-periode bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het besluit van 18 november 2010 niet slaagt omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd die het besluit onmiskenbaar onjuist maken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om AOW toe te kennen tijdens de TBS-periode wordt afgewezen omdat appellante geen proefverlof genoot.