ECLI:NL:CRVB:2018:1981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als thuishulp, meldde zich ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies medisch passend.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet over het vereiste opleidingsniveau beschikte. De Raad oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies medisch passend waren en dat de vraag over opleiding en ervaring niet relevant is in deze Ziektewetprocedure.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd genomen door M.C. Bruning en uitgesproken op 20 juni 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek.