ECLI:NL:CRVB:2018:1990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht over bankrekeningen en contant geld
Appellante ontving sinds 12 juli 2011 bijstand op grond van de WWB. Bij de aanvraag had zij slechts één bankrekening opgegeven en verklaard geen contant geld te bezitten. Later bleek dat zij meerdere bankrekeningen had en contant geld had, wat zij niet had gemeld.
Het college voerde een onderzoek uit, waarbij bleek dat appellante geld heen en weer schuift tussen rekeningen en contant geld bezit waarvan de herkomst onduidelijk is. Het college besloot daarom de bijstand per 27 juni 2014 op te schorten en later in te trekken, met terugvordering van de bijstandskosten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij de inlichtingenplicht niet had geschonden en voldoende medewerking had verleend. De Raad oordeelde echter dat zij niet alle relevante feiten had gemeld en dat de onduidelijke financiële situatie het recht op bijstand niet kon vaststellen. Ook de motivering en zorgvuldigheid van het college werden als voldoende beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.