ECLI:NL:CRVB:2018:2032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording
Appellant ontving voor 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) van €9.385,80. Omdat hij geen verantwoording over de eerste helft van 2011 aanleverde, stelde het Zorgkantoor het pgb op nihil vast en vorderde de betaalde voorschotten terug.
Na bezwaar en een verzoek tot herziening stelde het Zorgkantoor het pgb bij besluit van 1 juni 2016 vast op €2.130,55, rekening houdend met een verantwoordingsvrij bedrag. De overige betalingen waren volgens het Zorgkantoor niet te herleiden tot overgelegde facturen, waardoor controle onmogelijk was.
De rechtbank stelde het pgb hoger vast en beperkte de terugvordering. In hoger beroep betoogde appellant dat bulkbetalingen en schriftelijke bevestiging van de zorgverlener voldoende waren om aan te tonen dat alle facturen waren voldaan.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat de facturen daadwerkelijk waren betaald, behalve voor twee betalingen die wel konden worden herleid. De Raad bevestigde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en de terugvordering mocht uitvoeren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het lagere pgb en de terugvordering worden bevestigd.