ECLI:NL:CRVB:2018:2165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij bijstandsverlening ondanks afwezigheid eigen inkomen medebewoner
Appellante ontvangt samen met haar partner bijstand naar de norm voor gehuwden. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand gewijzigd door toepassing van de kostendelersnorm, omdat hun dochter, die 21 jaar is geworden, als kostendelende medebewoner wordt beschouwd. Appellante verzocht de toepassing van de kostendelersnorm ongedaan te maken omdat de dochter geen eigen inkomen had en haar bijstand was beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de kostendelersnorm onterecht werd toegepast, omdat de dochter geen inkomen had en geen kosten deelde, en dat toepassing van de norm tot onbillijkheid leidde. Tevens voerde zij aan dat toepassing in strijd was met het IVRK en het EVRM.
De Raad oordeelde dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor afwijking op grond van het ontbreken van inkomen of feitelijk kosten delen. De wetgever heeft bepaald dat de aard van het inkomen niet relevant is. Ook het beroep op het individualiseringsbeginsel en internationale verdragen faalde wegens onvoldoende onderbouwing en toepassingsbereik.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.