ECLI:NL:CRVB:2018:2230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens gebrekkige administratie
Appellant ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 5.836,08 voor zorg op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor stelde het pgb later vast op € 1.600,80 en vorderde € 4.235,28 terug wegens gebrekkige administratie en onduidelijkheid over de daadwerkelijk geleverde zorg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was tot lagere vaststelling en terugvordering, omdat niet kon worden vastgesteld dat de zorg daadwerkelijk was verleend en betaald. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat sprake was van een verschrijving in de zorgovereenkomst, onduidelijkheden bij de aanvraag, schending van het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld. De discrepanties tussen declaraties, betalingen en zorgovereenkomst konden niet worden opgelost door aanpassing achteraf. Betalingen in 2016 konden de tekortkomingen niet herstellen. Ook omstandigheden van de zorgverlener rechtvaardigen geen vrijstelling van de administratieve verplichtingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb bevestigd.