ECLI:NL:CRVB:2018:2235
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-tijdig indienen na AOW-besluiten
De zaak betreft een hoger beroep van verzoekster tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) van 20 maart 2018, waarin bezwaren gegrond zijn verklaard en primaire besluiten herroepen. Verzoekster diende op 1 mei 2018 een beroepschrift in, dat op 9 mei 2018 door de Raad werd ontvangen.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin de Svb werd opgedragen binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken vanaf de dag na verzending van de besluiten, die op 22 maart 2018 zijn bezorgd. De Raad stelt vast dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, noch voor het einde van de termijn ontvangen, noch binnen een week na afloop ter post bezorgd.
Verzoekster heeft niet betwist dat de termijn was verstreken op het moment van ontvangst. Er zijn geen redenen voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De voorzieningenrechter oordeelt dat onmiddellijke uitspraak kan worden gedaan en verklaart het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum op 12 juli 2018 in het openbaar.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van het beroepschrift.