Een bedrijf dat Rijnvarenden detacheert op schepen die varen op binnenwateren, waaronder Nederland en België, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving op haar werknemers toe te passen. De Svb stelde echter op vermoedens vast dat de werknemers substantieel in Nederland werkzaam waren en paste de Nederlandse wetgeving toe.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het bedrijf geen formele aanvraag was en dat de Svb onvoldoende informatie had ontvangen om met zekerheid vast te stellen waar de werknemers substantieel werkzaam waren. De Svb had ook nagelaten om onderzoek te doen in Cyprus, bijvoorbeeld via het Cypriotische zusterorgaan.
De rechtbank stelde dat de Svb de Europese aanwijsregels niet correct had toegepast en dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid. Er was geen sprake van misbruik van recht door het bedrijf. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de Svb opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak.
Verder wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens geen overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelde de Svb in de proceskosten van eiser.