ECLI:NL:CRVB:2018:2238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na ontvangst erfenis zonder dringende redenen
Appellant ontvangt sinds december 2013 bijstand en meldt in 2015 de ontvangst van een erfenis. Het dagelijks bestuur vordert op grond van de Participatiewet de te veel ontvangen bijstand terug, berekend vanaf de aanvang van de bijstand met inachtneming van de toen geldende vermogensvrijlating.
De rechtbank verklaart het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwist appellant onder meer de peildatum voor de terugvordering, het niet toepassen van de interingsnorm, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Tevens doet hij een beroep op de hardheidsclausule.
De Raad oordeelt dat de peildatum de aanvang van de bijstand is, omdat de aanspraak op de erfenis toen reeds bestond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt wegens ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen. Het gelijkheidsbeginsel faalt omdat gemeenten beleidsvrijheid hebben in de uitvoering van de Participatiewet. De hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat geen dringende redenen zijn aangetoond. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand vanaf de aanvangsdatum zonder toepassing van de interingsnorm of hardheidsclausule.