Uitspraak
16.6335 PW
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 24 maart 2015 een aanvraag om bijstand in. Kort daarna werd een bedrag van €1.900,- door zijn vader op zijn bankrekening bijgeschreven. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht kende bijstand toe voor een periode die deels voorafging aan deze bijschrijving, maar weigerde bijstand over maart 2015 omdat appellant over voldoende middelen beschikte. Appellant stelde dat de gift als vermogen moest worden aangemerkt en niet als inkomen.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat het bedrag, hoewel eenmalig, werd gebruikt ter voorziening in kosten van levensonderhoud in een periode zonder andere inkomsten en waarop de bijstand betrekking had. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet moet een dergelijke gift als inkomen worden beschouwd. De Raad verwees naar vaste rechtspraak en de bedoeling van de wetgever dat ook eenmalige bedragen die naar hun aard overeenkomen met periodieke inkomsten als inkomen worden aangemerkt.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank dat de gift als inkomen moet worden meegenomen bij de vaststelling van het recht op bijstand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De gift van €1.900,- van de vader aan appellant wordt als inkomen aangemerkt, waardoor appellant geen recht had op bijstand over maart 2015.