ECLI:NL:CRVB:2018:2242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging voorbereidingsperiode Bbz 2004 wegens onvoldoende ondernemingsplan en marktonderzoek
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en kreeg een voorbereidingsperiode toegekend om te onderzoeken of zij een levensvatbaar bedrijf, een Poolse supermarkt, kon starten. Tijdens de oriëntatiefase van het starterstraject bij het IMK heeft appellante echter nauwelijks marktonderzoek verricht en geen exploitatie- of investeringsbegroting opgesteld.
Het college beëindigde de voorbereidingsperiode op grond van het advies van het IMK, dat oordeelde dat appellante onvoldoende werkervaring en ondernemersvaardigheden had om een levensvatbaar bedrijf te starten. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand na herstel van de motivering.
In hoger beroep stelde appellante dat het college het motiveringsgebrek niet had hersteld en dat zij niet duidelijk was geïnformeerd over de vereisten in de oriëntatiefase. De Raad overwoog dat hoewel niet duidelijk is of een compleet ondernemingsplan aan het einde van de oriëntatiefase vereist is, wel duidelijk was dat er aan het ondernemingsplan gewerkt moest worden, inclusief marktonderzoek en een begin van begrotingen.
Appellante had zich beperkt tot een bezoek aan een Poolse supermarkt en het opvragen van persoonsgegevens, zonder verdere bronnen te raadplegen of begrotingen te maken. De Raad oordeelde dat het college de voorbereidingsperiode terecht heeft beëindigd en het motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de voorbereidingsperiode wegens onvoldoende voortgang en motivering.