ECLI:NL:CRVB:2018:2301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heropening WAO-uitkering na intrekking wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant was tot 1 augustus 1992 WAO-uitkeringsgerechtigd en verzocht in 2014 om heropening van deze uitkering met terugwerkende kracht. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van een vast te stellen eerste arbeidsongeschiktheidsdag gevolgd door een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van minimaal vier weken binnen vijf jaar na de intrekking.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij wel degelijk arbeidsongeschikt was door rugklachten en andere medische problemen. In hoger beroep bracht hij nadere medische informatie en toelichting op zijn werkzaamheden na intrekking van de uitkering in. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische gegevens onvoldoende bewijs bieden voor een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid langer dan vier weken na 1 augustus 1992.
De Raad benadrukte dat het risico van het niet kunnen vaststellen van de medische situatie door tijdsverloop bij de appellant ligt. De toelichtingen en medische verklaringen, waaronder huisartsen- en therapeutenrapporten, toonden geen continuïteit van arbeidsongeschiktheid aan. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter H.G. Rottier op 26 juli 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de heropening van de WAO-uitkering wordt niet toegewezen wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid.