ECLI:NL:CRVB:2018:233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm op IOAW-uitkering bij samenwoning met moeder met AIO
Appellant ontvangt een IOAW-uitkering als alleenstaande en woont samen met zijn moeder die een AIO-aanvulling ontvangt. Het college heeft de uitkering van appellant verlaagd vanwege toepassing van de kostendelersnorm. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellant dat de kostendelersnorm niet op hem van toepassing is, onder meer omdat hij en zijn moeder kosten niet daadwerkelijk delen en omdat de toepassing leidt tot onredelijke financiële gevolgen. De Raad stelt vast dat de wetgever met de kostendelersnorm beoogt rekening te houden met kostenbesparing door samenwonen, ongeacht of de kosten feitelijk gedeeld worden of de aard van het inkomen van medebewoners.
De Raad oordeelt dat appellant en zijn moeder terecht als kostendelers zijn aangemerkt en dat de uitzonderingen op de kostendelersnorm niet op hem van toepassing zijn. Ook het argument van onredelijkheid wordt verworpen omdat artikel 5 IOAW Pro dwingendrechtelijk is en appellant onvoldoende heeft aangetoond dat toepassing leidt tot een onevenredig zware last.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de bestreden uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm op de IOAW-uitkering van appellant en wijst het hoger beroep af.