ECLI:NL:CRVB:2018:2394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende duidelijkheid financiële situatie
Appellant heeft na eerdere afwijzingen op 17 mei 2016 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend, waarbij hij verklaarde tijdelijk op een ander adres te verblijven vanwege bedreigingen. Het college wees de aanvraag af omdat het inschrijvingsadres niet overeenkwam met het verblijfadres. Tijdens het bezwaaronderzoek bleek dat appellant sinds juli 2014 leefde van leningen, maar de overgelegde leenovereenkomsten voldeden niet aan de vereiste voorwaarden om als middelen voor levensonderhoud te worden erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad overwoog dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid op appellant rust en dat leningen in beginsel niet als middelen voor levensonderhoud worden beschouwd, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze leningen specifiek voor levensonderhoud zijn verstrekt met geldige leenovereenkomsten.
Appellant kon niet voldoen aan deze voorwaarden en voerde aan vanwege zijn fysieke beperkingen niet in staat te zijn inkomsten te genereren. Hoewel vrienden hem financieel ondersteunen, is dit onvoldoende om het recht op bijstand aan te tonen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.