ECLI:NL:CRVB:2018:2396

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 augustus 2018
Publicatiedatum
7 augustus 2018
Zaaknummer
15/8311 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten forensisch schriftonderzoek wegens ontbrekende noodzaak

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en een forensisch schriftonderzoek. Het college wees deze aanvraag af omdat de kosten niet noodzakelijk zouden zijn. De rechtbank vernietigde het besluit gedeeltelijk en wees bijzondere bijstand toe voor de eigen bijdrage rechtsbijstand, maar handhaafde de afwijzing voor het schriftonderzoek.

In hoger beroep stelde appellant dat het forensisch schriftonderzoek noodzakelijk was voor het starten van een herzieningsprocedure, waarbij hij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel ('equality of arms') uit artikel 6 EVRM Pro. Hij kon echter niet duidelijk maken welke juridische procedure hij wilde volgen of op welke wettelijke grondslag deze gebaseerd zou zijn.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten noodzakelijk zijn, mede omdat hij niet kon specificeren voor welke procedure het onderzoek vereist is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van een geschil waarbij tegenbewijs vereist is. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van forensisch schriftonderzoek wegens ontbrekende noodzaak.

Uitspraak

15.8311 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
26 november 2015, 15/3128 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)
Datum uitspraak: 7 augustus 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Šimičević, waarnemend voor mr. Van Bremen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.A. Blom en mr. P. Koenhen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 16 december 2014 bijzondere bijstand voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en de kosten van forensisch schriftonderzoek aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 22 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand en van forensisch schriftonderzoek geen noodzakelijke kosten zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de bijzondere bijstand voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand is afgewezen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op dit punt in stand blijven.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij heeft daartoe gesteld dat een forensisch schriftonderzoek noodzakelijk is voor het starten van een herzieningsprocedure en dat die procedure zonder dergelijk onderzoek kansloos is. Appellant doet een beroep op het beginsel van ‘equality of arms’ zoals gewaarborgd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft gewezen op de uitspraak van
16 augustus 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR5725). Tevens heeft appellant aangevoerd dat hij niet op voorhand de kosten van forensisch schriftonderzoek heeft kunnen inschatten of daarvoor heeft kunnen reserveren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of de kosten van forensisch schriftonderzoek noodzakelijk zijn.
4.3.
Het ligt op de weg van appellant als aanvrager van de bijzondere bijstand om die noodzaak aannemelijk te maken.
4.4.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de kosten noodzakelijk zijn naar voren gebracht dat hij in het verleden is mishandeld door een agent en dat deze agent daarvoor ten onrechte niet is veroordeeld. Volgens appellant is met zijn handtekening op een proces-verbaal gefraudeerd. Appellant heeft bij zijn aanvraag te kennen gegeven dat de kosten van forensisch schriftonderzoek noodzakelijk zijn omdat hij ‘aangifte’ wil doen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard een ‘cassatieprocedure’ te overwegen. In zijn hoger beroepschrift heeft appellant gesteld dat het forensisch schriftonderzoek noodzakelijk is voor het starten van een ‘herzieningsprocedure’. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij – onder meer ter verkrijging van schadevergoeding – met de resultaten van het forensisch schriftonderzoek herziening nastreeft van de vrijspraak van de agent die hem heeft mishandeld. Appellant heeft echter desgevraagd geen informatie kunnen geven over
(de wettelijke grondslag van) de te volgen procedure.
4.5.
Appellant heeft met wat hij in dit kader naar voren heeft gebracht, zoals weergegeven onder 4.4, niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van een forensisch schriftonderzoek in zijn geval noodzakelijk zijn, reeds omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt voor welke juridische procedure hij die kosten zou moeten maken. Het college heeft dan ook de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van forensisch schriftonderzoek terecht afgewezen op de grond dat deze kosten niet noodzakelijk zijn.
4.6.
Gelet op 4.5 behoeft de stelling van appellant dat hij niet heeft kunnen reserveren voor de kosten geen bespreking.
4.7.
Het beroep van appellant op het beginsel van ‘equality of arms’ treft geen doel, al omdat van een geschil of partij waartegen appellant zich met tegenbewijs moet verweren niet is gebleken. Ook het beroep op de onder 3 bedoelde uitspraak, die betrekking heeft op de noodzaak tot het laten verrichten van een contra-expertise door een vreemdeling in een geschil met de Staatssecretaris van Justitie, slaagt daarom niet.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en A. Stehouwer en
J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2018.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) F. Dinleyici
sg