Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:243

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2018
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
17-921 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wubo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugwerkende kracht omzetting Wuv-uitkering naar Wubo-toeslag

Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, vroeg omzetting van zijn Wuv-uitkering naar een toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wubo. Na omzetting in 2012 verzocht hij in 2016 om terugwerkende kracht van deze toeslag. Verweerder wees dit verzoek af vanwege niet-voldoen aan beleidsmatige voorwaarden, waaronder het ontbreken van een vervolgaanvraag na 2001.

De Raad beoordeelde dat het beleid terugwerkende kracht maximaal vijf jaar toe te kennen is, mits aan voorwaarden wordt voldaan, waaronder het indienen van een vervolgaanvraag na 2001. Appellant voldeed hier niet aan, mede door een misverstand over het relevante jaartal. Onbekendheid met gewijzigde regelingen werd niet als grond voor terugwerkende kracht erkend.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van terugwerkende kracht bij omzetting van de Wuv-uitkering naar de Wubo-toeslag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.921 WUBO

Datum uitspraak: 25 januari 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [A], wonende te [woonplaats 2], beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 december 2016, kenmerk BZ01103925 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1933, is in 1981 erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De aan appellant op grond van de Wuv toegekende periodieke uitkering is sinds november 1994 niet meer tot betaling gekomen.
1.2.
Op 9 december 2011 heeft verweerder appellant een standaardaanschrijving doen toekomen over de mogelijkheid tot omzetting van de Wuv-aanspraken in aanspraken op grond van de Wubo. Met deze omzetting zou appellant mogelijk in aanmerking komen voor een toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wubo.
1.3.
Naar aanleiding van de aanschrijving heeft appellant bij brief van 12 december 2011 verzocht zijn Wuv-aanspraken om te zetten in aanspraken op grond van de Wubo als dat voor hem financieel gunstiger is. Bij besluit van 24 februari 2012 is, met ingang van 1 december 2011, aan appellant toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wubo. Bij besluit van eveneens 24 februari 2012 is de periodieke uitkering op grond van de Wuv met ingang van 1 december 2011 ingetrokken. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
In augustus 2016 heeft appellant verweerder verzocht aan de in het besluit van 24 februari 2012 vervatte toekenning op grond van de Wubo alsnog terugwerkende kracht te verlenen.
1.5.
Bij besluit van 17 oktober 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, is dat verzoek afgewezen. Verweerder heeft geweigerd de ingangsdatum van de toegekende toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wubo te herzien op de grond dat appellant niet voldoet aan de beleidsmatige gestelde voorwaarden voor het toepassen van terugwerkende kracht bij omzetting van de uitkering in het kader van de Wuv naar de toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wubo.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Verweerder hanteert het beleid dat aan de omzetting van aanspraken van Wuv naar Wubo een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de maand van indiening van de aanvraag om die omzetting, wordt verleend indien:
-hierom is verzocht, en
-er sprake is van een Wuv-uitkering die vanaf 2001 lager is dan de maximale artikel 19 toeslag Pro op grond van de Wubo, en
-duidelijk is dat er na 2001 door de betrokkene een vervolgaanvraag in het kader van de Wuv is gedaan waarbij de uitvoeringsorganisatie niet heeft gewezen op de mogelijkheid een aanvraag op grond van de Wubo te doen. In eerdere uitspraken heeft de Raad dit beleid niet als onredelijk aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4687).
2.2.
Voor de groep personen, waartoe appellant behoort, die in december 2011 gericht is voorgelicht over de mogelijkheid van een omzetting, maar niet is gewezen op de mogelijkheid van terugwerkende kracht, is het beleid in navolging van de tussenuitspraak van 5 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1910) aangevuld. Voor hen geldt dat een herzieningsverzoek om terugwerkende kracht dat wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de omzetting is geëffectueerd, alsnog kan worden gehonoreerd indien is voldaan aan de overige onder 2.1 genoemde voorwaarden. Er wordt dan vijf jaar teruggerekend, te rekenen vanaf de datum van het herzieningsverzoek.
2.3.
In het geval van appellant wordt niet voldaan aan de derde van de onder 2.1 genoemde voorwaarden: het na 2001 nog hebben ingediend van een vervolgaanvraag in het kader van de Wuv. De verwijzing van appellant naar zijn vervolgaanvraag van mei 2015 was ingegeven door het in het besluit van 17 oktober 2016 vermelden van 2011 als het jaar waarna een vervolgaanvraag moet zijn ingediend. Uit de stukken is, zoals ook ter zitting aan de orde is geweest, duidelijk geworden dat het vermelden van dit jaartal 2011 berust op een misslag. In de hier van belang zijnde periode van 2001 tot aan het voorlichtingsmoment in december 2011 heeft appellant bij verweerder geen vervolgaanvraag ingediend. Wat appellant heeft aangevoerd over mogelijk slechte communicatie door verweerder kan dit niet anders maken.
2.4.
Ook heeft appellant gesteld dat hij niet op de hoogte was van de veranderde regelingen binnen de Wubo en dus niet eerder terugwerkende kracht kon vragen. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2650) vormt onbekendheid met (veranderde) wettelijke regelingen geen reden om uitkeringen en voorzieningen met terugwerkende kracht toe te kennen. Hierbij wordt opgemerkt dat appellant periodiek het blad ‘Aanspraak’ ontvangt en dat hij via de publicaties in dat blad geïnformeerd had kunnen zijn over de veranderingen binnen de Wubo.
2.5.
De Raad ziet ten overvloede, ter voorlichting aan appellant, nog aanleiding op te merken dat als het onder 1.4 genoemde verzoek wel zou hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van terugwerkende kracht, die terugwerkende kracht maximaal vijf jaar zou hebben kunnen bedragen, te rekenen vanaf de datum van het herzieningsverzoek. Dit zou hebben betekend dat een terugwerkende kracht niet verder dan tot 1 augustus 2011 mogelijk zou zijn geweest.
2.6.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2018.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.V. van Donk

HD