Uitspraak
16.7307 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van het besluit van 22 december 2015;
van in totaal € 170,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en werd op grond van een anonieme melding onderzocht op het voeren van een gezamenlijke huishouding met een man op het uitkeringsadres. Hierbij werd onder meer onrechtmatig met een videocamera waargenomen, wat niet als bewijs mocht worden gebruikt.
Het college trok de bijstand in vanaf 29 april 2015 wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat de onrechtmatige waarnemingen en de daarop gebaseerde verklaringen van appellante en de man als verboden vruchten buiten beschouwing moesten blijven.
De overige onderzoeksbevindingen boden onvoldoende grondslag voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en het eerdere besluit tot intrekking van de bijstand, en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag en onrechtmatig verkregen bewijs.