ECLI:NL:CRVB:2018:247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatig WIA-besluit en overschrijding redelijke termijn
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV van 28 januari 2013 waarin een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend aan een werknemer, terwijl appellante meende gehouden te zijn tot volledige loondoorbetaling op grond van de CAO Metaal en Techniek. Het UWV verklaarde het bezwaar aanvankelijk ongegrond, maar wijzigde dit later en erkende dat appellante niet opnieuw tot loondoorbetaling verplicht was.
De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij meer loonkosten had gemaakt dan zij als eigenrisicodrager zou hebben gehad. In hoger beroep stelde appellante dat zij op grond van de CAO verplicht was 100% loon te betalen tot het overlijden van de werknemer en vorderde zij een schadevergoeding van €6.937,66.
De Raad oordeelde dat het onrechtmatige besluit van 28 januari 2013 schade veroorzaakte, maar dat alleen de schade vanaf die datum aan het UWV kan worden toegerekend. De aanvullende loondoorbetalingsverplichting op grond van de CAO werd erkend, maar de onverplichte extra aanvulling viel niet onder de schadevergoeding. De Raad schatte de schadevergoeding op €2.500,-.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met elf maanden was overschreden, wat een immateriële schadevergoeding van €1.000,- rechtvaardigde. Deze vergoeding werd verdeeld tussen het UWV en de Staat. Het UWV werd uiteindelijk veroordeeld tot een totale schadevergoeding van €2.611,- en proceskosten van €1.002,-, terwijl de Staat €889,- aan immateriële schadevergoeding moest betalen.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €2.611,- schadevergoeding en proceskosten, en de Staat tot €889,- immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding redelijke termijn.