Eiser was in 2007 werkzaam aan boord van een schip dat eigendom was van een Nederlandse exploitant, maar stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap die premies afdroeg in Luxemburg. Eiser verzocht om een regularisatieovereenkomst met Luxemburgse autoriteiten om vast te stellen dat uitsluitend Luxemburgs sociaal zekerheidsrecht van toepassing was voor 2007 en begin 2008.
Verweerder wees het verzoek af omdat het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat eiser premieplichtig was in Nederland, mede door een eerdere brief van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelde dat de door Luxemburg afgegeven E101-verklaring geen bindende kracht heeft voor Nederland en dat verweerder discretionair bevoegd is om een regularisatieverzoek af te wijzen.
De rechtbank volgde eiser niet in zijn stellingen over het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en bevestigde dat verweerder het verzoek terecht heeft afgewezen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure was overschreden, waardoor eiser een immateriële schadevergoeding werd toegekend.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van deze schadevergoeding en proceskosten, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot regularisatie af.