ECLI:NL:CRVB:2018:2549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met hartklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband beoordeelde het UWV zijn arbeidsvermogen in het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waarmee appellant 90,59% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat recente medische informatie niet was meegenomen en dat hij de geduide functies niet kon vervullen.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, ook nadat de brief van de cardioloog was ontvangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had deze informatie meegewogen en het protocol hartinfarct was juist toegepast. De aanvullende medische stukken van appellant bevestigden de juistheid van de beperkingen. De functies die appellant zou kunnen vervullen zijn passend en overschrijden zijn belastbaarheid niet.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht meer op ziekengeld omdat hij in staat wordt geacht meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen.