Uitspraak
16.6334 ZW
30 augustus 2016, 16/961 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Werknemer trad op 15 maart 2015 in dienst bij appellante als internationaal vrachtwagenchauffeur en verzocht op 18 maart 2015 telefonisch om beëindiging van het dienstverband, dat per 21 maart 2015 werd beëindigd.
Werknemer meldde zich op 16 april 2015 ziek met terugwerkende kracht vanaf 22 maart 2015. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe vanaf die datum. Appellante maakte bezwaar en stelde dat werknemer al arbeidsongeschikt was bij het ontslagverzoek en daarmee het UWV benadeeld had door geen ziekmelding te doen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat werknemer tot 21 maart 2015 zijn werkzaamheden had verricht en de arbeidsongeschiktheid daarna was ingetreden. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dit oordeel. Uit rapporten van verzekeringsartsen en een bedrijfsarts bleek dat werknemer wel spanningsklachten had, maar tot en met 20 maart 2015 zijn werk kon doen.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van een benadelingshandeling zoals bedoeld in de Ziektewet. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag was correct vastgesteld op 22 maart 2015. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de toekenning van de Ziektewetuitkering vanaf 22 maart 2015 wordt bevestigd.