ECLI:NL:CRVB:2018:2601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2018
Publicatiedatum
22 augustus 2018
Zaaknummer
16/6258 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit zorgaanspraken AWBZArt. 1.1.1 RsaArt. 2.6.9 Rsa
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing pgb-verantwoording wegens onvoldoende onderbouwing begeleiding AWBZ-zorg

Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ voor het jaar 2014. Zij diende een verantwoording in over de eerste helft van 2014, waarin zij aangaf dat een bedrag van €4.950,- was besteed aan een zorgverlener voor begeleiding.

Het zorgkantoor keurde deze verantwoording af omdat niet kon worden vastgesteld dat de geleverde zorg als begeleiding in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond vanwege het ontbreken van urenspecificaties en toelichting op de zorg.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat uit de stukken, waaronder het zorgplan, onvoldoende duidelijk werd hoe de zorg werd vormgegeven en wat de concrete werkwijze van de zorgverlener was. De toelichting ter zitting bracht hierin geen duidelijkheid.

Daarom kon niet worden vastgesteld dat de zorg als AWBZ-begeleiding kwalificeerde en was het zorgkantoor terecht in het afkeuren van de verantwoording. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verantwoording van het pgb over de eerste helft van 2014 terecht is afgekeurd wegens onvoldoende onderbouwing van de AWBZ-begeleiding.

Uitspraak

16/6258 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
19 augustus 2016, 15/6328 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 22 augustus 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.M.P.M. Adank, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Namens appellante zijn
mr. Adank en A. Caglar verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 8.868,01 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Appellante heeft een verantwoordingsformulier over de eerste helft van 2014 ingediend bij het zorgkantoor. Hierop is vermeld dat € 4.950,- is besteed aan zorgverlener [zorgverlener] voor de functie begeleiding.
1.3.
Op 2 mei 2015 heeft het zorgkantoor de verantwoording over de eerste helft van 2014 afgekeurd. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante heeft het zorgkantoor bij besluit van 22 oktober 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.6.9 van de Rsa omdat urenspecificaties en een toelichting op de zorg ontbreken. Daarom heeft het zorgkantoor de verantwoording over de eerste helft van 2014 mogen afkeuren.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de vraag of appellante haar pgb over de eerste helft van 2014 heeft besteed aan AWBZ-zorg.
4.2.
Met het zorgkantoor is de Raad van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de door [zorgverlener] verleende zorg kan worden aangemerkt als begeleiding in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Uit de beschikbare stukken, waaronder het zorgplan van 2 januari 2014, wordt onvoldoende duidelijk hoe de zorg aan appellante werd vormgegeven en wat de werkwijze van de zorgverlener concreet inhield. Met de toelichting ter zitting is deze onduidelijkheid niet weggenomen.
4.3.
Het voorgaande betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de door [zorgverlener] verleende zorg kan worden aangemerkt als zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, aanhef en onder j of k, van de Rsa. Het zorgkantoor heeft de verantwoording over de eerste helft van 2014 daarom terecht afgekeurd.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een vergoeding in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) S.L. Alves

KS