Uitspraak
19 augustus 2016, 15/6328 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ voor het jaar 2014. Zij diende een verantwoording in over de eerste helft van 2014, waarin zij aangaf dat een bedrag van €4.950,- was besteed aan een zorgverlener voor begeleiding.
Het zorgkantoor keurde deze verantwoording af omdat niet kon worden vastgesteld dat de geleverde zorg als begeleiding in de zin van artikel 6 van Pro het Besluit zorgaanspraken AWBZ kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond vanwege het ontbreken van urenspecificaties en toelichting op de zorg.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat uit de stukken, waaronder het zorgplan, onvoldoende duidelijk werd hoe de zorg werd vormgegeven en wat de concrete werkwijze van de zorgverlener was. De toelichting ter zitting bracht hierin geen duidelijkheid.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat de zorg als AWBZ-begeleiding kwalificeerde en was het zorgkantoor terecht in het afkeuren van de verantwoording. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verantwoording van het pgb over de eerste helft van 2014 terecht is afgekeurd wegens onvoldoende onderbouwing van de AWBZ-begeleiding.