Appellant ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) in de vorm van een renteloze geldlening voor het boekjaar 2014, onder de voorwaarde dat hij binnen zes maanden na het boekjaar de jaarrekening zou overleggen. Het college verlengde de bijstand meerdere malen, maar appellant voldeed niet tijdig aan de verplichting tot het indienen van de jaarrekening. Na herhaalde verzoeken overhandigde appellant slechts een kolommenbalans, geen volledige jaarrekening.
Het college besloot daarom de gemaakte kosten van de leenbijstand terug te vorderen, omdat het inkomen en het recht op bijstand niet konden worden vastgesteld zonder de jaarrekening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond en sloot zich aan bij het college dat de later overgelegde jaarrekening niet mocht worden betrokken.
In hoger beroep stelde appellant dat de alsnog overgelegde jaarrekening wel moest worden meegenomen in de beoordeling. De Raad oordeelde dat partijen het hierover eens zijn en dat het college zelf nader onderzoek wil doen naar het recht op bijstand op basis van de nieuwe jaarrekening. Daarom vernietigde de Raad zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij de jaarrekening wordt betrokken.
De Raad bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.