ECLI:NL:CRVB:2018:261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- M. Kraefft
- H. Benek
- Rechtspraak.nl
Compensatie pensioenverlies tijdens FPU-periode geweigerd wegens duidelijke vaststellingsovereenkomst
Appellant was sinds 1996 in dienst bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en is in 2010 gedetacheerd en later zijn dienstverband in onderling overleg beëindigd. Op 29 juni 2010 sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over beëindiging dienstverband, deelname aan de FPU-regeling en pensioenopbouw. Appellant merkte in 2013 op dat zijn pensioen lager was dan verwacht en verzocht om compensatie voor het pensioenverlies tijdens de FPU-periode. Het dagelijks bestuur wees dit verzoek af, stellende dat hierover geen afspraken waren gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 29 oktober 2013 geen besluit was en dat het verzoek van appellant terecht werd afgewezen. In hoger beroep voerde appellant aan dat partijen wel de bedoeling hadden hem te compenseren, onderbouwd met e-mailcorrespondentie en verklaringen. De Raad stelde vast dat de definitieve vaststellingsovereenkomst geen compensatie vermeldt en dat appellant zich bewust was van de inhoud, mede omdat hij zich had laten bijstaan door een adviseur.
De Raad concludeerde dat appellant het risico draagt van het tekenen van de overeenkomst zonder compensatieclausule en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur werd eveneens afgewezen. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het verzoek tot compensatie voor pensioenverlies tijdens de FPU-periode wordt afgewezen en de vaststellingsovereenkomst wordt bevestigd zonder compensatie.