ECLI:NL:CRVB:2018:2635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na harttransplantatie en medicatiegebruik
Appellant, voormalig procesbegeleider bij het UWV, heeft na een harttransplantatie en langdurige ziekte een WIA-uitkering ontvangen. Na diverse medische en arbeidsdeskundige onderzoeken stelde het UWV zijn arbeidsongeschiktheid vast op 67,98%, waarbij hij beperkt werd tot licht fysiek werk van 6 uur per dag.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat door bijwerkingen van medicatie en chronische vermoeidheid zijn belastbaarheid werd overschat en dat hij volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden verklaard. De medische rapportages en arbeidsdeskundige beoordelingen van het UWV en verzekeringsartsen concludeerden echter dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de bijwerkingen van medicatie niet objectief waren onderbouwd en dat de re-integratiepogingen onvoldoende reden gaven voor een grotere urenbeperking. De rechtbankuitspraken werden bevestigd, het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 67,98% wordt bevestigd.