Uitspraak
17.1584 PW
10 januari 2017, 16/2080 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds juli 2015 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na meerdere niet nagekomen uitnodigingen voor gesprekken en een onderzoek door handhavingsspecialisten, concludeerde het college dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Appellant verbleef feitelijk bij zijn moeder, wat hij ook verklaarde tijdens gesprekken en huisbezoeken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet gebonden was aan zijn verklaringen en dat de handhavingsspecialisten onzorgvuldig hadden gehandeld. De Raad oordeelde dat appellant wel aan zijn verklaringen gehouden kon worden en dat de verklaringen ter plekke waren vastgelegd. De bevindingen van het onderzoek boden een toereikende feitelijke grondslag voor het besluit tot intrekking.
De Raad concludeerde dat door de onduidelijke woonsituatie niet kon worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand in de periode van juli tot november 2015. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens onduidelijke woonsituatie en niet naleven inlichtingenverplichting.