ECLI:NL:CRVB:2018:2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-melding woningbezit in Turkije
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande, maar was in de periode in geding eigenaar van een woning in Turkije waarvan de waarde de vermogensgrens overschreed. Hij meldde dit niet aan het dagelijks bestuur, waarmee hij zijn inlichtingenverplichting schond.
De echtgenote van appellant diende informatie in over het woningbezit, waarna het dagelijks bestuur Bureau Buitenland inschakelde voor onderzoek. Dit bevestigde het eigendom en de marktwaarde van de woning. Op basis hiervan trok het dagelijks bestuur de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellant voerde aan dat de hypotheekschuld van een woning in Nederland volledig in mindering moest worden gebracht, maar het bestuur rekende slechts 1/100 deel toe aan appellant, overeenkomstig zijn eigendomsverhouding. De Raad vond dit terecht en verwierp het beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-melding van het woningbezit in Turkije wordt bevestigd.