ECLI:NL:CRVB:2018:2719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant diende een aanvraag om bijstand in op grond van de Participatiewet, waarbij hij verklaarde te wonen op een specifiek adres. Het college van burgemeester en wethouders van Almere weigerde de bijstand omdat de woon- en leefsituatie van appellant onduidelijk was en hij onvoldoende informatie had verstrekt, wat een schending van de inlichtingenverplichting betekende.
Na een onderzoek met huisbezoek en waarnemingen constateerde het college tegenstrijdigheden in de verklaringen van appellant en vond het persoonlijke eigendommen en leefomstandigheden niet in overeenstemming met zijn opgegeven woonadres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaringen grotendeels overeenkwamen met de bevindingen en dat hij verward was bij eerdere verklaringen. Tevens stelde hij dat de gemeente Almere in een brief had erkend dat hij op het adres woonde, wat volgens hem het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel schond.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode op het opgegeven adres verbleef. De Raad vond de tegenstrijdigheden en onduidelijkheden overtuigend en bevestigde het oordeel van de rechtbank. De brief van de gemeente bood geen bewijs voor het verblijf van appellant op het adres in de relevante periode.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de afwijzing van de bijstandsaanvraag.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de woon- en leefsituatie op het opgegeven adres.