ECLI:NL:CRVB:2018:2720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens beschikking over bankmiddelen
Appellante ontving bijstand van juli 2012 tot oktober 2015, waarna deze werd ingetrokken wegens het niet verschijnen op een afspraak. Op 16 februari 2016 vroeg zij opnieuw bijstand aan. Tijdens een gesprek op 8 maart 2016 constateerden medewerkers van de gemeente Schiedam dat er in 2015 en begin 2016 grote bedragen op haar bankrekening waren gestort door een derde, [X]. Het college wees de aanvraag af op grond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet vrijelijk over deze gelden kon beschikken.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de stortingen van [X] bestemd waren voor zijn exportactiviteiten en dat zij slechts leningen ontving die zij moest terugbetalen. Zij stelde dat zij niet over deze middelen kon beschikken. De Raad oordeelde echter dat uit de verklaringen en het dossier bleek dat appellante wel degelijk betalingen deed vanuit deze rekening, waaronder haar vaste lasten en schulden. De verklaringen waren onvoldoende onderbouwd en strookten niet met de feitelijke stortingen.
Verder stelde appellante dat zij vanaf april 2016 wel bijstand ontving onder vergelijkbare omstandigheden, maar de Raad vond dit niet relevant voor de te beoordelen periode. Omdat [X] vanaf april 2016 geen bedragen meer stortte, was de situatie anders. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag omdat appellante vrijelijk kon beschikken over de gestorte bankmiddelen.