Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2018:2738

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2018
Publicatiedatum
5 september 2018
Zaaknummer
17/6368 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 ParticipatiewetArt. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij terugvordering kosten bijstand

Appellant was betrokken bij een terugvordering van kosten van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten. Het college had een bedrag van ruim €37.000 mede van appellant teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding in bepaalde perioden. De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor een deel van de terugvordering, waarna het college een nieuw besluit nam waarin een lager bedrag werd teruggevorderd.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar berustte vervolgens in het nieuwe besluit van het college. Hij gaf aan dat hij alleen nog proceskostenvergoeding wilde omdat het college het nieuwe besluit pas op de laatste dag van de beroepstermijn nam, waardoor hij kosten moest maken voor het hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellant door zijn berusting in het nieuwe besluit geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak kan geen procesbelang worden ontleend aan de wens tot proceskostenvergoeding. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees hij de proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

17.6368 PW, 17/7348 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
8 augustus 2017, 17/519 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten (college)
Datum uitspraak: 28 augustus 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 14 september 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij brieven van 14 december 2017 en 16 maart 2018 heeft appellant daarop gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het college met toepassing van artikel 59 van Pro de Participatiewet de van [naam] ( [X] ) teruggevorderde kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.636,16 mede van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 11 januari 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de medeterugvordering is verlaagd naar € 37.349,16. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in de periode van
1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2014 en in de periode van 1 maart 2015 tot en met
31 mei 2015 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met S.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de medeterugvordering van de kosten van bijstand over de periode van mei 2013 tot augustus 2013 betreft en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak, met veroordeling van het college in de proceskosten van appellant in beroep en vergoeding van het griffierecht.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 14 september 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het college heeft daarbij het bezwaar gegrond verklaard en de kosten van bijstand over de perioden van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2013, van 1 augustus 2013 tot en met 31 oktober 2014 en van 1 maart 2015 tot en met 31 mei 2015 tot een bedrag van in totaal € 32.851,24 mede van appellant teruggevorderd.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Appellant heeft in zijn reacties op bestreden besluit 2 kenbaar gemaakt dat hij berust in dat besluit, maar dat het college in de proceskosten in hoger beroep dient te worden veroordeeld, omdat het college bestreden besluit 2 niet eerder heeft genomen dan op de allerlaatste datum van de hoger beroepstermijn en appellant dus genoodzaakt was hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak en daarvoor kosten heeft moeten maken.
6.2.
Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, niet in de beoordeling betrokken, aangezien appellant heeft berust in dit besluit en dus geen belang heeft bij de beoordeling daarvan.
6.3.
Gelet op 6.1 ziet de Raad zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep.
6.4.1.
Uit het feit dat appellant heeft berust in bestreden besluit 2 blijkt dat hij geen (proces)belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het is appellant immers uitsluitend nog te doen, zo begrijpt de Raad uit diens reacties op bestreden besluit 2, om een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
6.4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3330) kan geen (proces)belang worden ontleend aan de door de betrokkene gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van Pro de Awb neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.
6.5.
Uit 6.4.1 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2018.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J.M.M. van Dalen

LO