ECLI:NL:CRVB:2015:3330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep bij intrekking en opschorting van bijstand wegens niet gemelde op geld waardeerbare activiteiten
Appellante ontving bijstand sinds 2000 en werd onderzocht na een anonieme melding over het verrichten van occulte activiteiten waarvoor zij betalingen ontving. Sociaal rechercheurs stelden vast dat zij rituelen verrichtte en hiervoor geld ontving, zonder dit te melden aan het college. Het college schortte haar bijstand op en trok deze later in, met terugvordering van kosten.
Appellante voerde aan dat zij slechts incidenteel hulp bood en de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, waardoor zij niet wist dat zij dit moest melden. De Raad oordeelde dat de opschorting feitelijk betekenisloos was geworden door de intrekking en dat appellante geen procesbelang had bij de opschorting. De intrekking werd bevestigd omdat zij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenplicht is.
Verder werd vastgesteld dat de kleindochter van appellante bij haar inwoonde zonder dit te melden, waardoor zij ten onrechte toeslag ontving. Dringende redenen om terugvordering te voorkomen werden niet erkend. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard voor de opschorting en afgewezen voor de intrekking, herziening en terugvordering.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor opschorting en afgewezen voor intrekking, herziening en terugvordering van bijstand.