ECLI:NL:CRVB:2018:2758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsnorm alleenstaande ouder naar alleenstaande wegens verblijf kind in buitenland
Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met toeslag omdat hij een huishouding vormde met zijn minderjarige zoon. Na heronderzoek stelde het college vast dat de zoon van appellant van 26 januari 2012 tot 31 juli 2012 niet bij appellant woonde, maar bij zijn moeder in Bosnië-Herzegovina. Het college herzag de bijstand naar de norm voor een alleenstaande en vorderde de teveel betaalde bijstand terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de uitschrijving van zijn zoon uit de basisregistratie personen (brp) onterecht was en dat de zoon slechts tijdelijk in het buitenland verbleef. Hij stelde dat de moeder van de zoon zonder verblijfsvergunning afwisselend in Nederland en Bosnië verbleef en dat de zoon regelmatig heen en weer reisde.
De Raad oordeelde dat de uitschrijving uit de brp niet doorslaggevend is, maar dat het college aannemelijk had gemaakt dat de zoon vanaf 26 januari 2012 bij zijn moeder in het buitenland verbleef, mede op grond van geldtransacties van appellant aan de moeder. Appellant kon dit niet met verifieerbare bewijsstukken weerleggen. Daarom kon hij niet als alleenstaande ouder worden aangemerkt en was de herziening terecht. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ten onrechte bijstand ontving als alleenstaande ouder omdat zijn zoon in de relevante periode in het buitenland verbleef.