Uitspraak
16.7493 WAO
19 oktober 2016, 16/2271 (aangevallen uitspraak)
A.M.M. Schalkwijk.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die werd verhoogd na herbeoordeling. Vanaf november 2011 hervatte hij gedeeltelijk zijn werk, maar ontving tegelijkertijd een te hoge uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot de te veel betaalde uitkering terug te vorderen op grond van artikel 44 van Pro de WAO (anticumulatie).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij te veel ontving en dat het Uwv verplicht was terug te vorderen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij mocht vertrouwen op correcte uitkeringsbetalingen en dat het Uwv op de hoogte was van zijn loon en gedeeltelijke werkhervatting.
De Raad oordeelde dat het Uwv het beleid rond anticumulatie consistent had toegepast en dat appellant onvoldoende had voldaan aan zijn meldingsplicht omtrent loon. Ook het besluit van het Uwv uit 2014 gaf geen rechtvaardigd vertrouwen dat terugvordering achterwege zou blijven. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, zodat het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering wordt bevestigd, zonder dringende reden om hiervan af te zien.