ECLI:NL:CRVB:2018:2817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening proceskosten met openstaande schulden door Sociale Verzekeringsbank
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin werd geoordeeld dat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de toegekende proceskosten en het griffierecht mocht verrekenen met openstaande vorderingen op appellant. De Svb had dit gedaan op basis van artikel 60a van de Participatiewet (PW), ondanks dat sprake was van een toevoeging voor rechtsbijstand.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en verwees daarbij naar eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat de kostenvergoeding bij toevoeging aan de rechtsbijstandverlener wordt betaald, maar dat de belanghebbende aanspraak maakt op de kostenvergoeding. Dit laat volgens de rechtbank de verrekening door de Svb met openstaande schulden onverlet.
De Raad overwoog dat de gronden van appellant in hoger beroep niet afwijken van die in eerste aanleg en dat de rechtbank gemotiveerd heeft geoordeeld. De Raad voegt toe dat de keuze van de wetgever om proceskostenvergoeding te verrekenen met de vergoeding aan de advocaat, mede om de kosten van gesubsidieerde rechtsbijstand beheersbaar te houden, niet in de weg staat aan de redelijkheid van de verrekening door de Svb.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Ook is er geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Sociale Verzekeringsbank proceskosten en griffierecht mag verrekenen met openstaande schulden en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.