ECLI:NL:CRVB:2018:2857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen afwijzing voorziening huishoudelijke hulp op grond van AOR
Appellant, geboren in 1947, verzocht in januari 2016 om een periodieke uitkering en een voorziening voor huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag bij besluit van 28 november 2016 af omdat de medische aandoeningen van appellant niet gerelateerd waren aan de oorlogsomstandigheden, ondanks dat appellant in het KIS-kampement in 1950 ongeregeldheden had meegemaakt.
In het beroepsproces werd alleen het causaal verband tussen de psychische klachten van appellant en de oorlogsomstandigheden betwist. Medische adviezen van geneeskundig adviseurs Maas en Ohlenschlager concludeerden dat de psychische klachten voornamelijk voortkomen uit latere life-events en een problematische naoorlogse gezins- en opvoedingssituatie, niet uit de oorlogservaringen. Een tegenrapport van Laatsch stelde wel een verband vast, maar zijn conclusies werden door de Raad kritisch beoordeeld vanwege het negeren van de gezinsproblematiek.
De Raad achtte het bestreden besluit op basis van de medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en vond geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van verweerder. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de voorziening huishoudelijke hulp op grond van de AOR wordt ongegrond verklaard.