Uitspraak
17 391 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
,met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW, de bijstand van appellante en [X] met ingang van
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar partner ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Zij meldden een verblijf in Turkije van 8 juli tot 20 augustus 2015, maar kregen geen toestemming vanwege nadelige gevolgen voor werk. Het college schortte en trok de bijstand in omdat appellante niet verscheen op een gesprek en de inlichtingenplicht schond.
In hoger beroep overwoog de Raad dat het verblijf langer dan vier weken was, waardoor appellante geen recht had op bijstand voor de periode 5 tot en met 18 augustus 2015. Voor de resterende dagen kon het recht niet worden vastgesteld wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellante had pas bij de nieuwe aanvraag in oktober 2015 contact gezocht.
De Raad oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand voor het deel van de periode op nihil stelde en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Een motiveringsgebrek werd gepasseerd omdat appellante niet was benadeeld. Kosten werden niet toegewezen vanwege haar late informatieverstrekking.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland en schending van de inlichtingenplicht.