ECLI:NL:CRVB:2018:2935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde WAO-uitkeringsaanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig medewerker pakstation, meldde zich in 1996 ziek en vroeg in 2003 een WAO-uitkering aan, die werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na eerdere afwijzingen diende appellant in 2015 een herhaalde aanvraag in, waarin hij stelde nog steeds arbeidsongeschikt te zijn en het eerdere medisch onderzoek onvolledig was.
Het UWV weigerde de aanvraag omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de overgelegde documenten geen nieuwe feiten vormden en het UWV terecht afwees.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn gezondheid verslechterd was en het UWV onjuist had beoordeeld. De Raad oordeelde dat de aanvraag een herhaalde aanvraag was in de zin van artikel 4:6 Awb Pro, waarbij geen nieuwe feiten waren aangevoerd. De Raad bevestigde dat het UWV geen nader onderzoek hoefde te doen en dat het besluit niet evident onredelijk was.
De Raad benadrukte dat de aanvraag ook als verzoek om een Amber-beoordeling moest worden gezien, maar dat de verzekeringsarts geen toename van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de herhaalde WAO-aanvraag bevestigd.