ECLI:NL:CRVB:2018:2983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstand wegens schending inlichtingenplicht en op geld waardeerbare activiteiten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en was beheerder van een woonschip waarvan hij de huurinkomsten beheerde. Het college stelde na onderzoek vast dat appellant zijn activiteiten als beheerder niet had gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de meldingsplicht van niet-betaalde werkzaamheden en dat zijn activiteiten slechts een hobby waren. De Raad oordeelde dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze activiteiten invloed hadden op het recht op bijstand en dat de activiteiten gezien hun aard, omvang en duur op geld waardeerbaar waren.
Verder stelde appellant dat hij zijn activiteiten had gestaakt en dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden bij zijn aanvraag om bijstand. De Raad vond echter dat appellant tot juli 2015 nog steeds actief was als beheerder, waardoor de aanvraag terecht werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraken van de rechtbank en concludeerde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat de bijstand terecht was ingetrokken en teruggevorderd. De aanvraag om bijstand werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een wijziging van omstandigheden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst de aanvraag om bijstand af wegens schending van de inlichtingenplicht en voortzetting van beheersactiviteiten.