Eiseres ontvangt sinds 2008 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van signalen over niet gemelde inkomsten en een voertuig op haar naam startte verweerder in 2019 een onderzoek naar de rechtmatigheid van haar bijstandsuitkering. Verweerder stelde vast dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat zij tussen 2018 en 2019 op geld waardeerbare activiteiten als haarstylist en visagist verrichtte en door niet gemelde bijschrijvingen op haar bankrekening in 2017-2018.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht het bezwaar tegen de herziening en terugvordering over 2017-2018 gegrond verklaart en dit besluit in stand laat. Over de periode 2018-2019 is het bestreden besluit echter onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd, omdat verweerder niet schattenderwijs het recht op bijstand heeft vastgesteld en eiseres onvoldoende heeft gehoord.
De rechtbank vernietigt daarom het besluit over 2018-2019 en geeft verweerder zes weken de gelegenheid om de gebreken te herstellen met een aanvullende beslissing op bezwaar. De verdere beslissing, waaronder over proceskosten, wordt aangehouden tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak is nog geen hoger beroep mogelijk.