ECLI:NL:CRVB:2018:3027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en boete
Appellant ontving sinds 1 maart 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV vermoedde dat appellant werkzaamheden verrichtte bij een visverwerkend bedrijf en voerde onderzoek uit, waaruit bleek dat appellant van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 bij [BV] werkzaam was zonder dit te melden.
Het UWV herzag de uitkering met terugwerkende kracht en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV de terugvordering en boete verlaagde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet tijdig zijn werkzaamheden en inkomsten had gemeld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij wel had gemeld, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het UWV had appellant een formulier gestuurd om financiële draagkracht aan te tonen, maar appellant vulde dit niet in. De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, dat het UWV terecht de uitkering herzag en terugvorderde, en dat de boete proportioneel was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering en handhaaft de boete van €860,- wegens niet gemelde werkzaamheden.