ECLI:NL:CRVB:2018:3052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, die sinds 2009 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, vorderde voortzetting van zijn ziekengelduitkering. Het UWV had echter vastgesteld dat appellant per 23 oktober 2015 weer in staat was om passende functies te vervullen en stelde het recht op ziekengeld stop.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en alle beperkingen waren meegenomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie onveranderd was en dat het UWV eerdere langdurige ziekmeldingen had geaccepteerd.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Zowel de verzekeringsarts als de arts bezwaar en beroep hadden appellant uitgebreid onderzocht en gerapporteerd, waarbij ook recente medische informatie was betrokken. De Raad stelde vast dat de toegenomen beperkingen per 11 december 2015 vooral fysiek van aard waren en dat er geen tegenstrijdigheid bestond tussen de hersteldverklaring per 23 oktober 2015 en de latere vaststelling van arbeidsongeschiktheid.
Daarmee faalde het hoger beroep en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 23 oktober 2015 geen recht meer had op ziekengeld.