ECLI:NL:CRVB:2018:3080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand minderjarige wegens ALO-kop voorziening
Appellant, een minderjarige geboren in 2012, ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf van zijn moeder en het onvermogen van de moeder om in zijn onderhoud te voorzien. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom trok de bijstand per 1 januari 2015 in, omdat de grootmoeder van appellant kinderbijslag, kindgebonden budget en de aanvullende alleenstaande ouderkop (ALO-kop) ontving, die samen de noodzakelijke kosten van bestaan dekken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat ondanks de ALO-kop nog steeds zeer dringende redenen voor bijstand bestonden en dat individuele omstandigheden een hogere bijstandsnorm rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat de ALO-kop, die hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 18-20 jaar, voorziet in de noodzakelijke kosten, zodat geen zeer dringende redenen meer bestaan. Ook werd geoordeeld dat het arrest Chavez Vilchez niet van toepassing is op deze zaak.
De Raad bevestigde daarmee de intrekking van de bijstand en wees de gronden van appellant af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 oktober 2018.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan de minderjarige wordt bevestigd omdat de ALO-kop en andere toeslagen voorzien in de noodzakelijke kosten.