ECLI:NL:CRVB:2018:3113
Centrale Raad van Beroep
- Mondelinge uitspraak
- A. Stehouwer
- J.J.A. Kooijman
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na nalatenschap en toepassing vereenvoudigd derdenbeslag
Appellante heeft in de periode van 26 januari 2007 tot 8 oktober 2015 bijstand ontvangen ter hoogte van €54.854,11. Na het overlijden van haar ouders had zij recht op een aandeel in de nalatenschap, die in november 2015 werd afgewikkeld. Op 16 november 2015 ontving zij €78.534,24, waarvan zij in december 2015 €50.000,- opnam.
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht vorderde de kosten van bijstand terug op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW). Tevens werd overgegaan tot invordering via vereenvoudigd derdenbeslag op de AOW-uitkering van appellante, waarbij de beslagvrije voet op nihil werd gesteld.
Appellante voerde aan dat zij mocht vertrouwen op het niet terugvorderen van bijstand wegens eerdere mededelingen van het college, maar dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat het college terecht de terugvordering heeft uitgevoerd en dat de invordering via vereenvoudigd derdenbeslag met nihil beslagvrije voet rechtmatig is. Appellante kon niet aannemelijk maken dat de rechtbank onjuist of onvolledig had geoordeeld over haar bezwaren tegen de invordering.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de terugvordering met invordering via vereenvoudigd derdenbeslag blijft in stand.