ECLI:NL:CRVB:2018:3119
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- A. Stehouwer
- J.J.A. Kooijman
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht voor verstandelijk gehandicapte ondanks belangenbehartiger
Appellante, een verstandelijk gehandicapte vrouw die in zorglocaties woont, verhuisde op 9 oktober 2014 van een zorglocatie in de ene plaats naar een andere locatie binnen hetzelfde bestuursgebied. Naar aanleiding hiervan beëindigde het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van de verhuisdatum. Haar broer, als belangenbehartiger, diende pas op 14 oktober 2015 een aanvraag in voor bijstand met ingang van 27 oktober 2014.
Het dagelijks bestuur kende bijstand toe vanaf de datum van de aanvraag, maar weigerde deze met terugwerkende kracht te verlenen over de periode daarvoor. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder haar handicap en het feit dat zij een belangenbehartiger had, rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend.
De Raad oordeelde dat de belangenbehartiger had moeten weten dat tijdig een aanvraag moest worden ingediend. De late aanvraag kwam voor rekening van appellante. Het feit dat de zorginstelling de belangenbehartiger niet had geïnformeerd, deed hieraan niet af. Ook het beroep op het Gehandicaptenverdrag werd verworpen omdat dit niet tijdig was ingebracht en onvoldoende onderbouwd was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Geen bijstand met terugwerkende kracht toegekend vanwege te late aanvraag door belangenbehartiger.