Uitspraak
16.3535 WIA, 17/4391 WIA
OVERWEGINGEN
16/3535
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1998 werkzaam als adviseur hypotheken en viel in 2006 uit door nek- en schouderklachten na een aanrijding. Vanaf 2008 ontving hij een WIA-uitkering op basis van 45% arbeidsongeschiktheid. In 2012 stelde het UWV vast dat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder 35%, waardoor zijn uitkering stopte.
Appellant meldde in 2015 en 2016 een verslechtering van zijn gezondheid per respectievelijk 1 april 2013 en 14 juli 2014, met klachten zoals hoofdpijn en concentratieproblemen. Het UWV weigerde de herleving van de WIA-uitkering, omdat geen toename van beperkingen werd vastgesteld. De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd en een rapport van een verzekeringsarts overgelegd, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen. De Raad stelde dat het rapport geen nieuwe medische feiten bevatte en dat toegenomen klachten niet gelijkstaan aan toegenomen beperkingen. Ook werd bevestigd dat geen arbeidskundig onderzoek nodig was.
De Raad concludeerde dat het recht op herleving van de WIA-uitkering niet bestaat zonder toename van de medische beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerdere uitkering. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op herleving van zijn WIA-uitkering per 1 april 2013 en 14 juli 2014 wegens ontbreken van toename van medische beperkingen.