Betrokkene en zijn ex-partner hadden een co-ouderschapsregeling waarbij de dochter haar hoofdverblijf bij betrokkene had, en kinderbijslag werd toegekend aan betrokkene, die deze aan de ex-partner doorbetaalde. Vanaf november 2013 woonde de dochter feitelijk bij haar moeder, wat leidde tot een wijziging van de kinderbijslagtoekenning door de Sociale Verzekeringsbank (Svb).
De Svb beëindigde de kinderbijslag voor betrokkene per het eerste kwartaal van 2014 en herzag met terugwerkende kracht de AOW- en AIO-uitkeringen, gevolgd door terugvordering van te veel betaalde bedragen. Betrokkene stelde bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelde dat betrokkene recht had op kinderbijslag tot 1 januari 2014, maar dat de herziening en terugvordering van AOW en AIO onterecht met terugwerkende kracht was toegepast vanwege bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de feitelijke woonsituatie bepalend is en dat de dochter sinds 22 november 2013 bij haar moeder verbleef. Betrokkene had zijn inlichtingenplicht geschonden door de wijziging niet tijdig te melden, waardoor de Svb terecht met terugwerkende kracht de uitkeringen mocht herzien vanaf 1 januari 2014. De Raad vernietigde het besluit over de herziening en terugvordering voor de periode 1 december 2013 tot 1 januari 2014 en gaf opdracht tot een nieuw besluit. Betrokkene heeft vanaf 1 januari 2014 geen recht meer op kinderbijslag, maar wel op een AOW- en AIO-uitkering voor een alleenstaande. De Svb werd veroordeeld in de proceskosten.